Een afnemende infiltratiecapaciteit leidt uiteindelijk tot een (ernstig) verminderde werking van de infiltratievoorziening. Dit uit zich in een (te) lange ledigingstijd en in een groter volume water dat het systeem via de overloopvoorziening loost.
 
Afname van de infiltratiecapaciteit kan drie oorzaken hebben:
  • dichtslibbing
  • kwaliteitsvermindering van de vegetatie
  • verdichting.

 

Dichtslibbing
Dichtslibbing is dat de doorlatendheid van de ondergrond, het cunet, de poreuze wand van de infiltratievoorziening of het geotextiel vermindert. Hierdoor neemt de infiltratiecapaciteit af. Dichtslibbing is vaak moeilijk (volledig) op te lossen.
 
Oorzaken van dichtslibbing zijn:

  • inloop van straatvuil. Afstromend regenwater is vervuild met zand en slibdeeltjes. Met name de fijne fractie hiervan en de organische fractie kunnen zorgen voor verstopping.
  • inloop van vuil van bouwactiviteiten. Tijdens en net na de bouwfase is het wegoppervlak vaak vervuild met onder meer zand en kleideeltjes. Deze vervuiling kan ernstige dichtslibbing van de infiltratievoorziening veroorzaken.
  • bladval. Ook bladeren kunnen de infiltratievoorziening doen dichtslibben.
  • ijzer. Als zuurstofloos, ijzerrijk grondwater in contact komt met zuurstof, vindt uitvlokking van ijzer plaats. Uitgevlokt ijzer kan drains en geotextielen verstoppen. Dit verschijnsel treedt met name sterk op waar de voorziening tussen de laagste en hoogste grondwaterstand ligt.

 

Kwaliteitsvermindering van de vegetatie
De vegetatie van de toplaag van een oppervlakte-infiltratievoorziening zorgt door de beworteling voor een goede, doorlatende structuur van de toplaag. Verdwijnende vegetatie kan de infiltratiecapaciteit verstoren.

Oorzaken van een slechte kwaliteit van de vegetatie zijn:

  • te vochtige conditie. Vegetatie sterft vaak af door een te lange leeglooptijd van de oppervlakte-infiltratievoorziening, omdat de toplaag dan te vochtig is. Het afsterven van de vegetatie leidt tot een verdere terugloop van de infiltratiecapaciteit, waardoor een neergaande spiraal ontstaat. Dat de omgeving vochtiger is dan gewenst, kan komen doordat de bodem minder doorlatend is (geworden), of door een verlaging in het maaiveld waar meer water dan wenselijk naartoe stroomt.
  • overige groeicondities. Veel factoren bepalen de groeiconditie van de vegetatie, zoals het organische stofgehalte, de zuurgraad van de bodem en de aanwezigheid van schaduw (bomen, gebouwen). Daarnaast kan de toplaag erg droog zijn bij een relatief gering organisch stofgehalte tijdens perioden met weinig neerslag.
  • betreding. Intensieve betreding en berijding kunnen kale plekken veroorzaken.

 

Verdichting
Door verdichting van de bodem neemt de doorlatendheid af. Wortels van de vegetatie en het bodemleven kunnen dit proces tegengaan.
Oorzaken van verdichting zijn:

  • grasmaaien. Grasmaaiers kunnen spoorvorming veroorzaken. Uit ervaring blijkt dat de toplaag extra kwetsbaar is als het gras vlak na een bui gemaaid wordt, omdat de toplaag dan nog vochtig is.
  • betreding. Intensieve betreding en berijding kunnen leiden tot verdichting van de bodem. Dit is ook een belang-rijk aandachtspunt tijdens de bouwfase.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel