Voor de aanleg- en beheerfase kan de gemeente (volledige) zeggenschap over de grond krijgen via:

  • koop;
  • het opleggen van een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht;
  • onteigening.

Koop

Als de gemeente volledige zeggenschap over de grond wil, moet zij eigenaar van die grond worden. In principe is koop de eenvoudigste en snelste manier. De verkoper draagt zijn eigendomsrecht dan vrijwillig over.

Koopakte

Omdat grond een onroerende zaak is (art. 3:3 Burgerlijk Wetboek (BW)), moet een notaris in opdracht van de gemeente voor de overdracht ervan een akte opstellen. In deze akte staat de zogenaamde overdrachtstitel, in dit geval koop. Vervolgens moet de koper of verkoper deze akte laten inschrijven in de daarvoor bestemde openbare registers. Met die inschrijving wordt de grond officieel eigendom van de koper (art. 3:89 BW).

Regels en verplichtingen bij koop

De op de koopovereenkomst toegespitste bepalingen vindt u in Boek 7 BW. Dit boek regelt onder meer de verplichtingen van verkoper en koper én de berekening van de schadevergoeding bij ontbinding van de koopovereenkomst. Omdat koop een rechtshandeling is, zijn ook de bepalingen van Boek 3, Titel 2 BW van belang (art. 3:32 e.v. BW). Hierin staan onder meer regels over de eventuele nietigheid of vernietigbaarheid van rechtshandelingen.

Gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht

Als voor openbare werken (bijvoorbeeld rioleringen) door of in opdracht van de gemeente een werk nodig is waarvoor duurzaam of tijdelijk onroerende zaken worden gebruikt, kan de minister van Infrastructuur en Waterstaat een gedoogplicht opleggen. Op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (BP) kan dit aan iedereen die enig recht heeft op die onroerende zaken. Maar de minister moet eerst proberen met de rechthebbenden tot overeenstemming te komen. Lukt dit niet binnen een redelijke termijn, dan kan de minister een gedoogplicht opleggen. De mogelijkheid van een gedoogplicht werkt in de praktijk vaak als een stok achter de deur om toch tot overeenstemming te komen.

Inhoud van de gedoogplicht

De gedoogplicht houdt in dat rechthebbenden de aanleg en het onderhoud van het werk moeten toelaten. Bij schade hebben ze recht op schadevergoeding. Ook kan de minister een gedoogplicht opleggen om verandering in een werk aan te brengen of om het werk te verplaatsen. Uiteraard mag het gebruik van de onroerende zaken alleen worden belemmerd als dat redelijkerwijs nodig is. Gedoogplichten die de minister op grond van de BP oplegt, gelden ook voor de volgende rechthebbenden, zoals latere kopers van het stuk grond. 

Vereisten

Voordat de minister een gedoogplicht oplegt, moet de rijksoverheid het openbaar belang van het werk erkennen. Dit gebeurt bij Koninklijk Besluit (KB). De gemeente richt het 'verzoek erkenning openbaar belang' aan de koning en dient het in bij de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Een andere vereiste is dat de belangen van de rechthebbenden volgens de minister redelijkerwijs geen onteigening rechtvaardigen. Onteigening is noodzakelijk als door de aanleg of instandhouding van het werk verder gebruik van de onroerende zaak onmogelijk wordt. In de rioleringspraktijk zal deze situatie zich niet vaak voordoen.

Schadevergoeding en start werkzaamheden

Bij een gedoogplicht behouden de rechthebbenden het recht op schadevergoeding. Zij moeten een vordering tot schadevergoeding indienen bij de (kantonrechter van de) rechtbank. De procedure verloopt volgens de bepalingen van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Dit betekent onder meer dat de procedure (waarbij partijen gewoon in persoon kunnen optreden) begint met een dagvaarding. Uiteraard krijgt de gemeente (als gedaagde) deze ook toegezonden of door een deurwaarder uitgereikt. De gemeente kan vervolgens op de terechtzitting mondeling op de dagvaarding reageren. Zij kan ook een gemotiveerd schriftelijk antwoord indienen, uiterlijk op de zitting (art. 19 e.v. en 78 e.v. Rv). De werkzaamheden kunnen gewoon starten, ook voordat overeenstemming is bereikt over de schadevergoeding of voordat de kantonrechter uitspraak heeft gedaan (art. 14 lid 3 BP).

De gedoogplicht en het eigendomsrecht

De gedoogplicht op grond van de BP heeft geen invloed op de eigendomsverhoudingen. Dat betekent dat alles wat met de gedoogplicht op of in de grond van een ander wordt aangebracht, in principe automatisch eigendom wordt van de eigenaar van die grond (degene aan wie de minister de gedoogplicht heeft opgelegd). Dit heet verticale natrekking. Voor de riolering is verticale natrekking overigens niet van toepassing. Volgens de regeling over de 'bevoegde aanlegger' in het Burgerlijk Wetboek zijn rioolobjecten die de gemeente in particuliere grond aanlegt en beheert altijd haar eigendom (zie kader in Wettelijke noodzaak riolering). 

Uitvoering

De Corporate Dienst van Rijkswaterstaat (RWS) in Utrecht voert de gedoogplichtprocedure en de voordracht van het erkenningsbesluit namens de minister uit. Op de RWS-website staan twee leidraden die van belang zijn voor het verloop van de gedoogplichtprocedure op grond van de BP. In deze leidraden staat welke stukken voor een correcte aanvraag noodzakelijk zijn en wat daarin moet staan. Ook geven de leidraden het verloop van de procedure weer die kan leiden tot oplegging van de gedoogplicht. Ook op de VNG-website vindt u informatie over de procedure.

Ontwikkelingen rond de Belemmeringenwet Privaatrecht

De Belemmeringenwet Privaatrecht dateert van 1927 en is toe aan modernisering. De procedure voor de totstandkoming van een gedoogplichtbeschikking is tamelijk complex en ook niet vormgegeven conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De regering heeft jaren geleden een wijziging aangekondigd en het concept van de Wet tot gedogen van werken van algemeen belang gepubliceerd. Het doel daarvan is met name een wettelijke voorziening voor ondergronds bouwen te bieden, in de vorm van verplichte medewerking aan de vestiging van een zakelijk recht. Een ander doel is deregulering. Inmiddels maakt de modernisering van de Belemmeringenwet Privaatrecht onderdeel uit van de stelselherziening omgevingsrecht. Dit gebeurt via de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. 

Onteigening

Met onteigening kan de gemeente de grondeigenaar zijn eigendomsrecht ontnemen. Omdat het hier om een onvrijwillige eigendomsoverdracht gaat, kan onteigening niet zonder meer plaatsvinden. De onteigeningsprocedure biedt de eigenaar veel waarborgen en is complex en tijdrovend. Zo’n procedure vereist een goede planning en een tijdige voorbereiding. Alleen zo kan de gemeente zo veel mogelijk voorkomen dat zij werkzaamheden moet uitstellen. Gezien de duur is het verstandig een onteigeningsprocedure waar mogelijk te voorkomen. In elk geval moet de gemeente ruim van tevoren bepalen of voor aanleg of beheer van de riolering volledige zeggenschap over een stuk grond nodig is. Als dat zo is, heeft koop de voorkeur boven onteigening.

De onteigeningsprocedure op hoofdlijnen

De Onteigeningswet bevat enkele titels die voor verschillende onderwerpen bepalen dat onteigening kan plaatsvinden. Voor rioleringswerkzaamheden is vooral de bijzondere procedure van art. 77 e.v. (Titel IV) van belang. Het gaat hier onder meer om onteigening voor de uitvoering van een bestemmingsplan. Deze onteigeningsprocedure kent in elk geval een administratieve fase (voor het bestuur) en een gerechtelijke fase (voor de rechter).
 
Belangrijk is dat de gemeente eerst probeert de te onteigenen grond bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen (art. 17 Onteigeningswet). Als dat lukt, scheelt dat veel tijd en moeite. Bovendien is het een eis van de Onteigeningswet en de instanties die over de onteigening moeten oordelen. Die instanties kunnen de onteigening in een laat stadium (vooralsnog) toch niet laten doorgaan. Het is dus zaak om de onteigeningsprocedure pas te beginnen als de gemeente niet (binnen een redelijke termijn) tot overeenstemming is gekomen met de eigenaar of andere rechthebbenden.

Ontwikkelingen rond de Onteigeningswet: Crisis- en herstelwet en Omgevingswet

In de praktijk blijkt dat onteigeningsprocedures vaak ingewikkeld en verouderd zijn en veel tijd vergen. Dit belemmert de snelle realisatie van plannen en werken. Daarom was al langere tijd behoefte aan een substantiële versnelling van procedures. Sinds 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet van kracht. Deze wet stelt regels voor versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten. De Crisis- en herstelwet uniformeert en stroomlijnt de onteigeningsprocedures. Ook voorziet de wet in een ontkoppeling van de ruimtelijke procedure en de onteigening, zodat onteigening sneller is af te ronden. De Crisis- en herstelwet schakelt de systematiek van Titel IV Onteigeningswet gelijk met die van Titels II tot en met IIc Onteigeningswet, met de bijbehorende tijdwinst.
 
De Onteigeningswet wordt geïntegreerd in de Omgevingswet via de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel